Sam vond zijn bescheiden team op de plek waar ze hadden afgesproken.
Dekka glimlachte bijna. Bijna glimlachen was bijzonder frivool voor Dekka’s doen.
Taylor bestudeerde haar vingernagels en stond zich erg overdreven te vervelen. Sam vroeg zich af of hij iets over die zoen moest zeggen. Iets in de trant van: ‘Het spijt me echt dat ik aan je heb gezeten.’
Ja, dat zou de situatie vast stukken verbeteren.
Hij kon maar beter doen alsof er nooit iets gebeurd was, maar helaas stond Taylor niet bekend als iemand die dingen snel liet rusten.
Bovendien vond Dekka haar vervelend. En Dekka was een vriendin en bondgenoot van Sam. Er waren drie mensen van wie Sam wist dat hij altijd op ze kon rekenen: Edilio, Brianna en Dekka. Vreemd, want ze deden nooit iets met z’n drieën of zo. Sam was alleen of hij was bij Astrid. Edilio zag hij de laatste tijd nauwelijks. En met Brianna had hij helemaal niets gemeen – ze was te jong, te maf, te… te Brianna. Sam zou nooit met iemand als Brianna optrekken.
Vroeger was Quinn zijn beste vriend geweest. Maar Quinn had nu een belangrijke taak, een taak waar hij dol op was. Quinns vrienden kwamen allemaal uit zijn visploegen. Ze waren zo hecht als een harmonieus gezin, de vissers.
Het vierde expeditielid was Jack. Voorheen Computer Jack, maar er waren geen werkende computers meer te vinden. Jack bracht zijn dagen tegenwoordig door met mopperen en strips lezen.
Jacks bovenmenselijke kracht zou misschien nog wel van pas kunnen komen, maar tot nu toe hadden ze bar weinig aan Jack gehad. Hoewel Jack tijdens de grote brand wel in actie was gekomen, peinsde Sam. Misschien werd hij wat volwassener. Misschien was het goed dat hij niet meer met zijn hoofd in een computer zat.
‘Zijn jullie er klaar voor?’ vroeg Sam.
‘Moet ik echt mee?’ dreinde Jack.
Sam haalde zijn schouders op. ‘Albert betaalt je er toch voor? Het lijkt me beter dan de hele dag de krachtpatser voor hem te moeten uithangen, of niet soms?’
Jacks ogen vlamden op. Albert maakte tegenwoordig gebruik van Jacks fysieke kracht – om spullen naar de markt te vervoeren, om meubels te versjouwen – en Jack vond dat vreselijk. Hij zag zichzelf nog altijd als de whizzkid, de supernerd, niet als de sterke freak.
‘Waarom moet dit midden in de nacht?’ vroeg Taylor.
‘Omdat we niet willen dat de hele stad weet waarom we weggaan en waarheen.’
‘Hoe kan ik het nou aan iemand vertellen als ik het zelf niet eens weet?’ Taylor stak haar onderlip naar voren.
‘Water. We gaan op zoek naar water,’ zei Sam.
Hij kon de radertjes in Taylors hoofd bijna horen kraken. En toen: ‘omg, hebben we geen water meer?’ Ze beet op haar lip, haalde een paar keer dramatisch diep adem en jammerde: ‘Bedoel je dat we allemaal doodgaan?’
‘Dit is nou een mooi voorbeeld van waarom we dit geheimhouden,’ zei Sam droogjes.
‘Ik moet alleen even naar…’
‘Uh-uh,’ zei Sam. ‘Niks ervan, Taylor. Jij springt nergens heen en je praat ook met niemand zonder mijn toestemming. Duidelijk?’
‘Weet je, Sam, je bent best aardig. En echt een onwijs lekker ding,’ zei Taylor. ‘Maar je bent gewoon zo saai.’
‘Laten we gaan nu het nog kan,’ zei Dekka. ‘Ik heb trouwens een pistool meegenomen.’
‘Wordt het gevaarlijk?’ krijste Taylor.
‘Dat pistool is voor het geval jij me op mijn zenuwen gaat werken, Taylor,’ waarschuwde Dekka.
‘Ha ha, wat grappig,’ zei Taylor.
Sam grijnsde. Voor het eerst in een behoorlijk lange tijd had hij echt weer ergens zin in. Een missie. En bovendien was het een mooie gelegenheid om Perdido Beach even te ontvluchten.
‘Dekka heeft gelijk. Laten we gaan voordat er iets gebeurt waar ik me mee moet bemoeien,’ zei Sam.
Net op dat moment hoorde hij een geluid alsof er iets groots brak. Het was een eind verderop. Een geluid alsof er takken knapten. Waarschijnlijk een of andere dronken gek.
Sam besloot het te negeren. Edilio’s probleem, niet het zijne.
Ze gingen op weg naar de donkere heuvels die boven de stad opdoemden.
Na een tijdje pakte Dekka hem bij de arm om zijn pas te vertragen. Ze liet Jack en Taylor voorop lopen.
‘Heb je het al van Edilio of Astrid gehoord?’
‘Ik heb Edilio niet gesproken. Ik heb hem expres ontweken – hij wordt vast ontzettend pissig als hij merkt dat ik de stad uit ben zonder het tegen hem te zeggen.’
Dekka zweeg.
‘Oké,’ zei Sam met een zucht. ‘Wat had ik moeten horen?’
‘Over Hunter. Hij heeft een soort… Nou ja, hij heeft allerlei insecten in zijn lijf. Astrid zegt dat het parasieten zijn.’
‘Zegt Astrid dat?’ snauwde Sam.
‘Je hebt haar vast nog wel gezien voor je wegging. Heeft ze het niet verteld?’
‘We hadden andere dingen aan ons hoofd.’
‘O ja?’
‘Nee,’ zei Sam. ‘Niet dat soort dingen. Was het maar waar. Vertel eens wat meer over Hunter.’
En dat deed Dekka.
Sams gezicht betrok tijdens het luisteren. Daar ging zijn plan om de stad uit te zijn voor er iets misging. Hier stond met koeienletters ‘mis’ op geschreven.
Het klonk alsof Hunter niet lang meer zou jagen. En dat betekende dat de stad binnenkort geen water én geen vlees meer zou hebben. Ze konden waarschijnlijk wel overleven zonder Hunters bijdragen, maar het zou het gevoel van paniek nog meer aanwakkeren.
Hun missie was opeens nog veel belangrijker geworden.
‘Zei hij dat de groenerds aan de ochtendkant zitten? Bij de weg naar het meer? Zei hij dat?’
Dekka knikte.
Sam riep naar de andere twee, die over iets onnozels liepen te kibbelen. ‘Taylor! Jack! Daarboven naar rechts. We gaan even bij Hunter langs.’
Hunter werd met een schok wakker. Van een geluid.
Het was een geluid dat hij nog nooit eerder had gehoord. Dichtbij! Heel dichtbij.
Alsof het op hem zat. Alsof het…
In één oor maar.
Hij draaide zijn hoofd opzij. Het was midden in de nacht. Zo donker als een donker bos zonder sterrenlicht.
Hij zag niets.
Maar hij kon het voelen met zijn handen. Het ding op zijn schouder.
Zijn oor… weg!
Hunter slaakte een afschuwelijke kreet van angst en afgrijzen.
Hij voelde zijn oor niet, en zijn schouder ook niet, hij kon alleen maar met zijn vingers voelen, en hij voelde, stak zijn hand onder zijn shirt en voelde het vlees van zijn buik trillen en op en neer gaan.
Alsof er iets in hem zat.
Nee, nee, nee, het was niet eerlijk. Het was niet eerlijk!
Hij was Hunter. De jager. Hij deed zijn best.
Hij huilde. Tranen rolden over zijn wangen.
Wie moest er dan vlees naar de kinderen brengen?
Het was niet eerlijk.
De smak- en kraakgeluiden begonnen weer. Alleen in zijn ene oor.
Hunter had maar één wapen: de verhittende kracht van zijn handen. Hij had hem al heel, heel vaak gebruikt om zijn prooien mee te doden.
Hij had de kinderen te eten gegeven met die kracht. En in een vlaag van angst en woede had hij er per ongeluk ook zijn vriend Harry mee gedood.
Misschien kon hij het ding vermoorden dat zijn oor opat.
Maar dat zou niet meer helpen.
Zou hij zichzelf kunnen doden?
Hij zag de kop van Ouwe Poema, die met zijn ogen dicht op de plek bungelde waar Hunter hem had opgehangen om te villen. Als Ouwe Poema dood kon gaan, kon Hunter dat ook.
Misschien zouden ze elkaar wel weer tegenkomen, ergens boven in de lucht.
Hunter drukte zijn beide handpalmen tegen zijn hoofd.
Drake was vrij! Voor hem zag hij de verbrijzelde deur. Boven hem een ingestort plafond. Zijn cel was kapotgebeukt door zijn eigen gevangenbewaarder.
Maar Drake maakte zich zorgen. Biggetje Brittney kon elk moment tevoorschijn komen. Ze zou om hulp kunnen roepen, naar Sam kunnen rennen, ze zou van alles kunnen doen.
Drake had het geweer van Jamal. Hij liet zijn zweephand eroverheen glijden en genoot van het gevoel, van het gewicht in zijn hand. Met zijn geweer en zijn zweephand kon niemand hem tegenhouden.
Maar hij was niet alleen zichzelf, hij was ook nog Brittney.
Hij dacht koortsachtig na. Wat kon hij doen?
Jamal kreunde. Hij probeerde overeind te komen, maar steunde op een arm die met een misselijkmakend gekraak in elkaar zakte.
Jamal gilde het uit van de pijn. Zijn linkerarm hing slap langs zijn lijf; zijn schouder was uit de kom. Uit zijn neus kwam een gestage stroom bloed. Er liep bloed uit zijn oren. Ja, dacht Drake, die jongen had een flinke smak gemaakt.
Drake ging schrijlings boven op Jamal zitten. Hij wikkelde zijn zweeparm om Jamals keel en smoorde zo zijn kreten van pijn. Hij duwde de loop van het geweer tegen Jamals voorhoofd.
‘Je hebt drie seconden om te kiezen,’ zei Drake poeslief. ‘Ben je voor of tegen me?’
Jamal had geen drie seconden nodig. ‘Ik help je! Ik help je!’ stootte hij uit zodra Drake de druk op zijn keel wat verminderde.
‘O ja? Nou, dan moet je eens goed naar me luisteren, sukkel, want bij mij krijg je maar één kans. Als je me naait, niet doet wat ik zeg of zelfs maar even aarzelt, dan vermoord ik je niet.’
Jamal trok verwonderd zijn wenkbrauwen op.
‘Nee, want als je doodgaat lijd je ook geen pijn meer,’ zei Drake. ‘Ik vermoord je dus niet. Maar ik sla je wel.’
Met een onverwachte opgetogenheid haalde Drake uit en liet zijn zweephand keihard neerkomen. Hij sneed door Jamals broek en liet een striem achter op zijn bovenbeen.
Jamal loeide het uit.
Drake sloeg opnieuw, en nog een keer, terwijl Jamal over de grond kronkelde en zich met zijn ene goede arm probeerde te beschermen.
‘Ik wil dat je weet hoe het voelt,’ zei Drake. ‘Doet pijn, hè?’
Jamal lag nu te huilen, en was te bang om antwoord te geven.
‘Ik zei: doet pijn, hè?’
‘Ja! Ja!’ snikte Jamal.
‘Wat je ook doet, Jamal, hoe slim of stoer je ook denkt te zijn: als je me verraadt, als je ook maar kijkt alsof je me misschien gaat verraden, dan sla ik je. En niet zomaar eventjes. Maar urenlang. En ik laat je ergens achter waar de Genezer je niet kan vinden. Geloof je dat ik dat zal doen, Jamal?’
Jamal knikte verwoed. ‘Ja! Ik geloof het!’
‘Ik ben onsterfelijk, Jamal,’ zei Drake.
‘Dat weet ik!’
Drake gaf hem het geweer. Hij lette heel goed op om te zien of Jamal het echt begreep. Hij zag het moment waarop Jamal dacht: Ik kan hem neerschieten en ervandoor gaan.
Maar hij hoorde Jamals hersenen kraken terwijl de jongen verder dacht tot hij de onvermijdelijke conclusie trok.
Hij zag Jamals weerstand afbrokkelen.
‘Slimme jongen,’ zei Drake. ‘Goed, dit moet je doen.’